Coaching/TrainingTerug naar Index Coaching/Training
Trainersworkshop met Dvoretsky
Auteur: Karel van Delft.
|
Aantekeningen trainersworkshop met Mark Dvoretsky 19 januari 1999 in kantoorhotel DiaPlaza Organisatie: KNSB en Stichting Bevorderen Schaken Apeldoorn |
Tijdens deze bijeenkomst, die 16 deelnemers telde, gaf Dvoretsky gedurende ruim twee uur een doorkijkje in zijn denken en methode. In het navolgende staan een aantal opmerkingen. Het verslagje is allerminst volledig en bevat geen stellingen die Dvoretsky liet zien om zijn methode te illustreren.
Het werk van Mark Dvoretsky is niet gericht op het vermeerderen van theoretische kennis. Daarover bestaan genoeg boeken.
Hij richt zich meer op de manier waarop je kunt trainen en over schaken kunt denken. Daarbij speelt psychologie een belangrijke rol.
Een schaakspeler is geen automaat. Hij is een persoon met sterke en zwakke kanten in zijn persoonlijkheid. Ook spelen fysieke kwesties een belangrijke rol.
Belangrijke psychologische kwesties zijn: vechtlust, zelfdiscipline en besluitvaardigheid.
Dvoretsky traint vooral met individuen en soms met kleine groepjes.
Bij individuele trainingen maakt hij een sterkte/zwakte-analyse van de betrokken speler, waarbij hij ook sterk
let op persoonlijkheidsaspecten. Op basis van zo'n analyse is het mogelijk gericht en effectief aan zwakheden te werken. Hij illustreerde dat met voorbeelden uit zijn trainingspraktijk met Chernin (moest vooral leren vechten, via sport een betere conditie opbouwen en accuraat leren rekenen). Zie ook in boek 'Attack and Defence' het voorbeeld van Anand, die te weinig discipline heeft om accuraat te rekenen.
Een goede trainer moet ook kunnen coachen en daartoe kunnen diagnosticeren, zowel schaaktechnisch als psychologisch.
Dvoretsky benadrukt dat het aanleren van passieve kennis niet afdoende is. De speler moet er mee oefenen, ervaring opdoen.
Bij trainingen let hij erg op de denkprocessen van zijn pupil, meer dan op het feit of die goede oplossingen van stellingen weet te vinden.
Op basis van die diagnose geeft hij bepaalde opdrachten, die bijvoorbeeld meer op de intuitie of op tactische vaardigheden gericht kunnen zijn. Nogmaals: vaardigheden trainen is belangrijk, het belangrijkste in een training.
Bij aanleren van vaardigheden is het belangrijk goede oefen-stellingen te hebben. Wil je bijvoorbeeld een pupil accuraat leren rekenen, dan moet je geen stellingen voorschotelen die ook intuïtief (herkenning van positiekenmerken) op te lossen zijn.
Dvoretsky waarschuwt er voor, en dat geldt zeker voor jeugd-spelers die vol in ontwikkeling zijn, niet teveel energie te steken in het aanleren van openingen. Dan stop je je energie in het aanleren van pure kennis, terwijl je je tijd en energie beter kunt besteden in het verdiepen van je inzicht en het aanleren van vaardigheden. Helemaal uit den boze is het als een trainer een leerling zijn eigen voorkeuropeningen laat spelen. Dat is een beproefd recept om een ontwikkeling te stagneren.
Om het positiespel beter te leren beoefenen zijn er diverse goede boeken. Dvoretsky noemt
Mein System en
Zurich '53.
Die boeken vindt hij vooral goed omdat er uitgebreid in woorden staat vermeld wat de diverse ideeen zijn.
Het is belangrijk, zegt Dvoretsky, om typische stellingen met hun kenmerken te kennen. Zelf heeft hij een uitgelezen verzameling van 3.000 stellingen aangelegd. Die is ook op flop, in modules, te koop.
Dvoretsky adviseert iedere trainer zijn eigen database met thematische stellingen aan te leggen. Dat kan makkelijk: je registreert gewoon al het goede materiaal dat je tegenkomt en rubriceert dat op thema. Zelf had hij net de week tevoren in Apeldoorn een pion-studie van Afek leren kennen, die hij heel bruikbaar vindt voor trainingen.
Dvoretsky heeft een aantal befaamde boeken geschreven. Een paar daarvan stipte hij aan. Er komen er mogelijk op afzienbare termijn nog één of twee op de West-Europese markt.
Belangrijk is het aanleren van het profylactisch denken (anticiperen).
Algemene adviezen zijn niet altijd te geven omtrent welke voortzetting een speler in een bepaalde stelling moet kiezen. Dan telt vooral de ervaring (het - onbewust - herkennen van patronen?, kvd).
M.b.t. positiebegrip verwijst Dvoretsky naar een lezing van Bareev in een van zijn boeken. Ook in dit verband geldt weer: door typische stellingen en hun kenmerken te kennen, kun je eerdere een strategie bedenken in een concrete stelling.
Dvoretsky besprak ook nog even het nut van kandidaatzetten en systematisch denken.
Een goede coach kiest voorbeelden met een algemene betekenis.
Goed stellingsbegrip leidt tot het vinden van goede zetten, ook al liggen die minder voor de hand.
Aan de hand van voorbeeldpartijen kun je standaardaanvalsmethoden aan pupillen aanleren.
Als je een stellingstype wilt aanleren, moet je diverse goede voorbeelden hebben. Een paar als voorbeeld en een paar als oefenstof.
Stellingen die een verrassende pointe bevatten beklijven het best.
Dvoretsky waarschuwt voor pogingen om het schaakspel in allerlei classificaties onder te brengen. Dat is niet mogelijk. Er zijn geen algemeen geldende formules en absolute wijsheden, wel algemeen geldende principes.
Kritiek op de Sovjet-pedagogiek: erg instrumenteel, weinig op creativiteit gericht.
Anecdote: ouder wil van trainer weten waarom kind onderpresteert. Antwoord trainer: ik weet niet wat voor weer het was. Moraal: er spelen talloze variabelen een rol, je kunt niet zomaar algemene diagnoses stellen.
Een goede diagnose (sterkte/zwakte analyse) is belangrijk, wil je een speler verder kunnen brengen. Is bijvoorbeeld passief spel het gevolg van onbegrip van de stelling of van een karaktereigenschap (bang). Afhankelijk van de conclusie kan een gerichte aanpak van het probleem bedacht worden. Pas daarbij op voor een te rigide benadering en rigide schema's.
Dvoretsky is hard in zijn oordeel als hij iets niet goed vindt. Suetin bijvoorbeeld heeft in zijn boeken leuke ideeen maar de voorbeelden zijn nauwelijks relevant en dus slecht.
Dvoretsky stelt dat er niet één goede trainingsmethode is. Op basis van een aantal geldende trainingsprincipes, waarvan er een aantal in dit verslag genoemd zijn, kan iedere trainer/coach de metho-de ontwikkelen die voor zijn pupil het meest geschikt is.
Belangrijk is dat een trainer zijn pupil de ruimte laat zijn eigen stijl te ontwikkelen. Hij kan hen helpen bij het diagnosticeren van zwakheden en daar gericht trainingsmateriaal voor aanbieden, hij kan aanwijzingen geven, maar het is uit den boze hen in een intellectueel keurslijf te drukken.
Over 'Het Syndroom van Waitzkin' (Waitzkin is de auteur van 'Searching for Bobby Fischer', dat handelt over zijn eigen 'wonderkind'): pas op dat je als ouders teveel verwachtingen op je kind projecteert. Niet ieder kind is een genie. Sommige ouders hebben moeite dat te accepteren en ze willen dan gewoon niet luisteren naar commentaar. Dat is niet best.[]